Het is 4 februari 2026. Het is niet dat ik deze dag groot omcirkeld in mijn agenda heb staan, maar toch zat ‘ie al een aantal dagen in m’n achterhoofd. Het is vandaag twee jaar geleden dat ik mijn kruisband afscheurde tijdens een voetbalwedstrijd. Twee jaar. Het klinkt kort en lang tegelijk. Soms voelt het alsof die eerste periode nog maar net achter me ligt en tegelijkertijd zijn er momenten waarop het voelt alsof dit traject er altijd al was, alsof het een vast onderdeel van mijn leven is geworden. Anderzijds merk ik dat alles wat er achter me ligt steeds minder mijn dagelijks denken bepaalt. Mijn knie functioneert, de progressie is goed en ik kijk weer vooruit.
De dag dat ik mijn voorste kruisband afscheurde
Ik was niet fit die dag. Een beetje koortsig, snotterig, zo’n gevoel dat je normaal gesproken wegwuift en zeker niet doorslaggevend is om een wedstrijd te skippen. Pre-workout erin, pijnstillers erin en gaan. Tijdens de warming-up voelde ik al dat ik pap in mijn benen had. Dit wordt een pittige wedstrijd, dacht ik nog.
Rond de twintigste minuut rende ik met de bal aan mijn voet op snelheid parallel aan de zestien van de tegenstander. Ik zag vanuit mijn ooghoek iemand van links aankomen en nam in een fractie van een seconde een beslissing die ik al duizenden keren eerder had genomen: de bal met links onder mijn lichaam doorhalen, rechts om mijn as wegdraaien, vrijmaken om af te vuren op doel. Niets bijzonders.
Ineens lag ik op de grond. De pijn was er meteen, scherp en allesoverheersend, gevolgd door een misselijk gevoel, terwijl ik de stemmen van mijn teamgenoten ver weg hoorde. Het kwam niet bij me binnen. In die chaos was er één gedachte die opvallend helder bleef: dit is foute boel. Ik kijk niet met spijt terug op die dag. Ik ga ook niet zeggen dat ik die wedstrijd nooit had moeten spelen. Het is gebeurd. Zou ik het in de toekomst anders aanpakken? Dat betwijfel ik.
Thuis op de bank
Eenmaal thuis lag ik op de bank, coldpack om mijn knie en telefoon in mijn hand. Ik had Google geopend en deed wat ik altijd doe als iets me overkomt waar ik grip op wil krijgen: informatie verzamelen. Voorste kruisband. Symptomen. Ervaringen. Operatie. Revalidatie. In het verleden had ik teamgenoten met een afgescheurde voorste kruisband meegemaakt en ik vulde het plaatje eigenlijk al bijna voor mezelf in. Je hoopt het niet, maar alles wees erop. Tegelijkertijd dacht ik niet dat ik mijn laatste wedstrijd ooit had gespeeld. Dat idee kwam niet eens in me op. Dit gaan we fixen, dacht ik.
De knop om en het begin van de revalidatie
Natuurlijk was ik na de diagnose teleurgesteld en verdrietig. Ik wist dat er een lange weg voor me lag, maar wat ik toen nog níet wist, was hoe complex dit traject zou worden. Dat is misschien maar goed ook. Nog steeds ben ik ervan overtuigd dat ik zonder alle complicaties die op mijn pad zijn gekomen gewoon goed deze revalidatie door was gekomen.
Al snel na de voorste kruisbandreconstructie merkte ik dat ik mijn strekking verloor. Dat was geen kwestie van harder werken, meer uithangen of beter trainen. De strekbeperking had een fysieke oorzaak waar ik niets aan kon veranderen, hoe graag ik dat ook had gewild. Vanaf dat moment werd het ingewikkeld.
Vastlopen en twijfelen
Bewegingsvrijheid, dat besef ik nu pas echt, is iets wat je pas waardeert als het er niet meer vanzelfsprekend is. Er zijn diepe dalen geweest in dit traject. Momenten waarop ik me hopeloos voelde en waarin de vraag zich steeds vaker aandiende: “Komt dit ooit goed?” Een vraag die op een gegeven moment allesoverheersend werd, maar die met de progressie van nu steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.
Bij de fysio zag ik mederevalidanten mij voorbijstreven. Ik zag mensen rennen op de loopband, sprongtesten succesvol doorstaan, vertrouwen opbouwen en terugkeren naar sport.
Ik gun mijn mederevalidanten hun vooruitgang oprecht, maar mezelf ook. In een van mijn blogs over de mentale impact schrijf ik over het vergelijken met anderen. Dat je dat niet moet doen, dat iedereen z’n eigen pad volgt. In het begin heb ik mezelf ook vergeleken, maar op termijn ben ik daarmee gestopt. Het is totaal zinloos en het bezorgt je vooral frustraties.
Aan de zijlijn
Ik ben bijna nooit meer naar wedstrijden van mijn team gaan kijken. Zien hoe zij achter een bal aan rennen, terwijl ik niet wist of ik daar ooit nog zou staan, sneed door me heen. De komende periode, zo richting het einde van het seizoen, ben ik van plan om toch weer een paar wedstrijden mee te pikken. Nu ik de stijgende lijn te pakken heb, voelt het weer als kijken naar iets wat haalbaar is. Iets waar ik naartoe werk.
Toekomstgericht
Ik ben ‘onderweg’. Dat is nog steeds het beste woord dat ik kan vinden voor het proces waar ik nu in zit. Onderweg, met meer vertrouwen in mijn lichaam dan ik lange tijd heb gehad. Met hoop die soms wankelt op mindere dagen en direct terugkeert op goede dagen, als mijn knie goed voelt en ik denk: “Yeah, hij gaat lekker.”
Twee jaar na die ene actie langs de zestien en vier operaties verder ben ik nog lang niet waar ik wil zijn, maar wel onderweg. Eindelijk op de juiste weg. En wat misschien wel het meest zegt over waar ik nu sta: soms vergeet ik hoe het voelde om in die uitzichtloze ellende te zitten. Dat had ik een half jaar geleden niet voor mogelijk gehouden.


